over
Ik leer een nieuwe vorm van ontwaren
Daarbij een taal die ik zelf van betekenis voorzie
Zoals mijn tanden om jouw kaakbot
een speelse bevestiging zijn
Geen verdere noodzaak voor verwarring –
enkel nog de tevreden desoriëntatie
van het onbekende
het kniehoge gras groeit horizontaal mijn brein door
de nieuwslezer doet er verslag van, kijkt me strak bezorgd aan terwijl haar klanken woord worden
ik denk een rechtopstaande cirkel van gras tussen ons in en loop er de zwaartekracht tartend
overheen totdat het de kat duizelt
daarna zitten we samen op de kast en niezen, vlak na elkaar
staar naar het plafond met je domme lelijke mensenogen, vraag je af wat de fuck er te zien valt
de poes duwt je van de kast, want dat is iets waar ze goed in is
zoals achter de bank gaan, voor de zekerheid
doen alsof ze niet onnoemelijk veel meer weet dan degene die zich haar ‘baas’ waant
je gilt zo hard naar beneden dat het je val dempt
maar spat alsnog uit elkaar als een pluizige paardenbloem, overal zaad en violen
het onbekende heeft zachte harige vleugels, dun als vliezen sterk als rubber
het fladdert ogenschijnlijk chaotisch, maar weet precies wat het doet
waar ik ben, waar jij, welke omstandigheden wanneer wenselijk
lang heb ik me verschanst, nu sta ik in het donker midden op
een uitgestrekt veld, het onbekende alomtegenwoordig
ik ben verdrietig om wat ik achterlaat (had nooit gedacht dat ik dat kon
– nog steeds niet eigenlijk) maar ik was nog nooit zo niet-bang
ik strek mijn arm, houd mijn hand omhoog voor het geval
het onbekende ook ooit moe wordt
Vandaag ben ik onderwater
De woonkamer is een walvis
Ze zingt me toe via de soundbar
Ik gluur tussen haar baleinen door naar buiten
Zie niks dan wuivend zeegras
Migrerende roggen
levensverrichtingen van membranen
te onderscheiden naar behoefte
tenslotte, ronddrijven, ontstaan, opzwellen
realiseren wordt een momentopname
Het geheel bezit het vermogen
oranje water schaduwleven blijven vallen door de
dekenwarme warmte de zontegels de droogbloemen de
poes die door het dorre gras springt de vreugdevolle
sensaties als festiniwaterijs op je tong de korrels peer
ik knetter, vlei me neer de tijd bestaat nu omgekeerd:
de poes springt door het gras de bloemen dor en droog
de voetzolen/pootkussentjes warm het eindeloze vallen
Ik klap het weiland dubbel
Er loopt een vouwlijn door de sloot
Stekelbaarsjes zwemmen nu een hoekje om
Hun bereidheid in deze verandering
mee te gaan kleurt het water diep donkergroen
Een blauwe reiger kijkt toe hoe ze achteloos hun weg vervolgen
DE ONEINDIGE HOEVEELHEID WERKELIJKHEID
kijk naar bloemen met bijenogen, draai de wereld om in een regendruppel
loop met een kever langs het plafond, voel dat je schild dan zo lekker loskomt van je lichaam
verf alles waarin we verzaken mosgroen en geef het aan een stoeptegel, een gevelde boom
maak een audio-opname van het trage knipperen van een kat, speel het af
wanneer een gevoel van onbestemdheid je bekruipt
bedenk je dat iedereen die nu oud is, niet zo lang geleden even hip of nerdy was als jij,
even onvergeeflijk jong
geef je waardigheid aan iemand die haar niet aan kan nemen, maar dat voor zichzelf zal houden
krom je ruggenwervel, vouw je pootjes naar binnen, toon de wereld je grijze schild,
rol weg of word een lage bromtoon en schud zachtjes de pollen los, verzamel ze
op je behaarde lichaam
huil van geluk als een hond tegen je been gaat staan, omdat je weet dat geen mens
zoveel genaakbaarheid waard is
GRENSONTOLOGISCHE REFLECTIE

alles wat je kunt meten is begrensd
weten is een beweging
het heeft geen eindpunt
er bestaat niet zoiets als eenduidig episch
een monoliet is instabiel

je kijkt door me heen als een komikosmisch voyeur
weet dat ik permanent te vroeg ben
omdat ik mezelf zo graag kwijtraak
op de meest normale plekken

ik verlang niet naar de tijd
dat kwijt nog kon
ik ben mijn eigen onbekende terrein

vraag je af wat het verschil is tussen
een kamer waar je mag blijven vs.
een plek om achter te moeten laten
zet alle ramen en deuren tegen elkaar open
ga (zitten)
Onze voorbij fietsende schaduwen op het grijsmetalen hekwerk langs
het station hebben een vreemd soort eeuwigheidswaarde. Ze zijn nog
vluchtiger dan wij zelf en tegelijkertijd lijken ze een ruimte te bewonen
waarin tijd geen plaats heeft. Ze zullen daar altijd voorbij blijven gaan.
De haartjes langs mijn slaap perfect gevangen, grijs op grijs op grijs.
KNETTEREND BORDUURWERK

er is een zin aan het eind van de zin die mij wil kennen voor het te laat is
de was draait, de overloop ligt naast me als een trouwe hond
wiebel jezelf los uit jezelf, sta niet langer toe dat clichés blasé zijn

hoe verenig je uitersten in jezelf: loop naar de kust, een rivierbedding
blijf aanmodderen – de modder als moeder – niets zo makkelijk
als stoppen jezelf in de wielen te rijden, gewoon opzij stappen
opstapelen, steentorentje worden, Vrouwe van het Meer
Opoe Heidezee, stug en paars omlijst door Slijmerige Drakentong,
fotogeniek als een slak (alle slakken zijn genadig, elke slak mooi)
iets groters bewakend, vergis je niet, compassie is een vuur
geen branddeken, verwarm je maar verwar het niet
met als zijnde van jou, wees je

eigen lucifer kijk hoe je brandt terwijl je kijkt hoe je brandt terwijl je kijkt
hoe je brandt terwijl je kijkt hoe je brandt terwijl je vergeet het beter te weten vergeet
hoe je zin begon ga liggen op een overloop word net zo trouw
aai jezelf (oprecht) laat je bedding afbrokkelen het bruine water tussen je vingers door en
door en door en door en door rivier worden wild stromen kabbelen
rotsen doorklieven stroomgeulen vlechten paarse zeeën bereiken
zoet maken brak worden jezelf verliezen helemaal verliezen tot je helemaal
weer heel bent geen-idee-wie-of-wat bent, de slak als Alwetende kent
vuurzee voor ontbijt eet zeehonden met mensenbenen weet migrerende roggen
je helpen blussen husse husse husse als je weet waar je bent weet je niet waartussen

intussen op een overloop bij jou in de buurt: iemand languit
die weet dat er niks te herleiden valt, je zet pas een stap
als je een stap gezet hebt et cetera; geef de boer een stoel
geef de boer een hengel geef de boer een stok om mee te slaan
laat de boer dansen laat de boer in godesnaam huilen –
vele generaties vrouwen om de tuintafel met hun handwerk
maken ornaat geborduurde zakdoeken voor de huilende boeren
steken boerderijen in de fik met hun compassie, wachten
tot de de nacht valt, de andere schoen, de klepel
een ui wegrolt richting het kolenhok, pellen elkaar, pellen de boeren
tot de hele tuin vol zachtglanzende grijze zeehonden ligt

Opoe Kruiptijm trekt een zwaard uit een steen gooit het in de sloot
begint te woekeren, eerst alles paars dan alles zout, knetterende
pelzen, muilen vol messcherpe tandjes, blaaswier klappen
met de tong tegen het gehemelte, opnieuw beginnen, altijd maar weer
opnieuw beginnen, het nooit moe raken
SCHEMEREN OF EEN LOGICA VAN HET SCHOMMELEN

zit en luister naar alle mogelijke vertakkingen in de tijd, ze ruisen
zo aangenaam, zo onheilspellend
zoek naar het ontzagwekkende in het ogenschijnlijk zo bekende
verander de wereld met een wilde perzik in de zon
het bewustzijn als drug; ervaren boven ontrafelen
schaarste kent zijn eigen beloningen

oefen je in het vermogen om af te nemen, om te vervagen
besef dat hoe men zoekt en wat gezocht wordt
altijd ten nauwste met elkaar samenhangt

wie de dingen in het midden ziet, vindt overal verwantschap
de uit de kluiten gewassen ganzenbaby's
die als voorzichtige dino's door de straten lopen
een man in de trein met een halfvolle fles Chardonnay,
een pakje sigaretten en een dennenappel, die minstens
vijftien keer achter elkaar niest
de hemel die altijd om je heen is, waar je ook kijkt, wolken
het vreemde soort eeuwigheidswaarde van onze voorbij fietsende schaduwen
de haartjes langs mijn slaap perfect gevangen, grijs op grijs op grijs
dat entropie slechts entropie is bij de gratie van het woord
ook de wanorde is heel

het tegen elkaar aan schurken van existentialisme en verlichting
dát soort buitentijdelijke helderheid

in de verte weet ik kliffen
ik verlang ernaar het zout op mijn bovenlip te proeven
weet dat alles altijd hergebruikt zal worden
totdat alle mogelijke samenstellingen van atomen
de revue zijn gepasseerd
we weer precies hier uitkomen
VIJFHONDERDACHTENVIJFTIGMILJOENMILJARD

het is al een eeuwigheid nacht en de dikke spin op de trap
en ik zijn wakker, hij heeft me vooralsnog niet in een glaasje
met een ansichtkaart eronder en gestrekte pootjes van angst
buiten gezet, als je alleen woont is het op een bepaalde manier

alsof je niet bestaat maar hij zag me en nu wil ik moe zijn armen
dromen alles voelen en laten me geen zorgen maken over de
vijfhonderdachtenvijftigmiljoenmiljard mieren onder mijn terras

het geluid van een ekster als een blokhaak voor een ongewenste
gedachte hoekig en genadig en totaal zinloos zonder de
onbeholpen omarming van een tweede, het onkruid tussen mijn tenen

doe mij alle katten uit de buurt naast elkaar op de schutting ik wil
nu eindelijk wel eens weten met wie ik te maken heb – de spin
wijst aan wie waar ik dans met de mieren zie zwart van de mieren
hé! hoe kom ik aan deze bodysuit van mieren?! het belooft een

dynamische nacht te worden: ik ent de lijsterbes en de lijsterbes
ent mij het regent blauwe regen overal schijnaardbei, wisten zij veel
dat je mij moet wieden nu ben ik allang niet terug te snoeien meer

om eng van te worden, gelukkig zijn er paardenbloempluizen wolf-
spinnen muizen een egel ook ooit kikkers toen jouw poezengraf nog
een vijvertje onder de zure rode ritsbessen was, ik heb geen idee

wat er zich in andere tuinen afspeelt maar hier gaan we nooit alleen
naar buiten hier zijn we altijd in de meerderheid, tel mijn mensen-
botjes op bij die van jou, ik wacht op een vijver die groot genoeg is

om sterrenstelsels in te vangen groot genoeg om te vergeten wat het
betekent om achter te blijven, huisvliegen te moeten blíjven uitleggen
dat het vliegengordijn geen uitnodiging is – terwijl zij zich afvragen

wie die mieren in de vorm van een mens wel niet denken dat ze zijn
een boom groeit horizontaal langs het straatoppervlak
omvat met haar stam wat ze tegenkomt

mensen staan steeds vaker in hun ondergoed in de tuin
terwijl het regent (hun benen vol opgespat zand)

alles zit onder de naaktslaksporen, een ode aan het glibberen
het zijn van de weg

onze doden vergaan pas na onze toestemming en altijd
op gepaste afstand

zou ik daarom zo verdrietig zijn, omdat ik weet dat ik moet sterven
maar niemand het me voordoet

ik volg de boom en de slakken; beweeg zo traag dat er niks meer
aan me te verkopen valt (er groeit mos in mijn luwtes)
HET EINDE IS NABIJ, MAAR DAT WAS HET ALTIJD AL
nota bene: dit is geen relativering

een vraag rijst, die niet gesteld wordt
je hebt het recht niet te weten
niemand heeft het recht
ze willen dat je ontweet

houd op met potentiële partners of schoenen swipen
houd op met naar binnen gaan
houd op met eten bestellen
houd op met huilen zonder te weten waarom

ze willen dat je huilt en pre-cies weet waar-om
probeer opnieuw, faal beter
word iemand die zichzelf ook kan laten zien in het donker
[open je handen] een kleine gele pruim

ik zit op bed tussen metershoog sint janskruid en eet de pruim
in het maanlicht – alles is doordrongen van een paarsblauwe weifeling
met een slokdarm vol licht streel ik de planten
huil voor het eerst ooit, wacht tot het ochtend wordt
ik de voordeur open, niets achterlaat
EEN SOORT ZWEVERIG MENS

dompel je onder in het donker – je eigen en
het universele – laat Archimedes je te licht bevinden
sluit je ogen en zie de bladeren in de wind
de vogels in de lucht, hoor de lichtgevende oranje dingen
door de empathische hyperkubus van tijd en ruimte
aai de weerbarstig kronkelende schaduwdingen
houd op met het zweven te vrezen
alles ís ook belangrijk
belichaam het soort onverwoestbare genaakbaarheid dat komt
van je keer op keer moedwillig voor je muil laten rijden
door de Bus der Werkelijkheid
een hyperbewuste rauwprachtige realiteitszin waar je
ja, soms van moet overgeven in een hoekje van de kamer maar
ja, ook jubeltenen van pure vreugde aan overhoudt
wees belachelijk op een zelfverkozen wijze
efficiënt als een zich ontvouwende varen
AUMPING

voordat mijn ouders geboren waren, had ik
het gezicht dat je maakt bij leeuwenadem, had ik
een grote oude boomkruin als hoofd, keek ik
met ogen van vuur door alle lagen van de
kosmos, niet groots wel tijdloos, niet vast te houden
belachelijk om in woorden te vatten, ik was van aarde
en ik was van sterrenstof, zelfde vod, net als jij

het universum wereldt, de aarde menst, de boom appelt
de mens bazelt erover, niet minder niet meer, bazelen
als de meest waarachtige woordgedreven handeling, zei ik al
dat ik handen van glas had? heel heel heel dun glas
onbreekbaar ook, fucking prijsloos, als ik ze streelde
met mijn kanelen Fireball-ogen, klonken ze als zo’n sjieke
windgong in een onwaarschijnlijk mooie stemming

de buren klaagden er niet eens over, had ik buren gehad
voor conceptie woon je anders, soms was ik een langgerekte lachbui
(niemand maakt grappen als het universum – of rampen), soms
was ik alle wezens in alle zeeën op alle planeten op alle
schoolbekers, die dan misschien wel altijd lekten, maar wat wil je
ik laat mij toch zeker niet zomaar in een beker opsluiten!
niet geboren of niet

als het waaide woei ik mee soms, als ik woei, loeide
de wind om de oren van mijn voormoederen, hun rokken op
tot ze broeken gingen dragen, lid werden van een boekenclub,
Camera Obscura lazen, naar een boeddhistische leermeester
verlangden, poppetjes van nat wc-papier oefenden op het
gebobbelde rvs keukenblad (omdat dat mijn liefste
herinnering zou zijn)

sommige nachten was ik de laag as die achterbleef
na een uit de klauwen gelopen vuur, genadeloos zacht, vol
van de fouten uit ons verleden, daarna groeide ik er een
heel nieuw bos op, mijn boomhoofd verduizendmaald –
mijn vuurogen diep in mij verborgen, bazelend over liefde alsof
dat ooit bestond zonder totale vernietiging, reddeloosheid –
aan de glazen takken rinkelen de veelkleurige bladeren alsof
het allemaal niets kost, ik draai me nog één keer om
in het zwart
EXISTEER
DE TIJDE-
LIJKHEID
F I N A A L
UIT HET
MOMENT
de zee, de maan, de kudde
een opblaasflamingo in het leugenachtige
licht op omdat ze ernaar kijkt
alles doet altijd wat ze wil
ze wacht op een ondiepe poel vol
lauwwarm water, kleine, doorzichtige
krabbetjes (waarschijnlijk dood) onder
een fluoriserend oranje waterschoen
waar iedereen zich blaren op
loopt behalve zij
meesterwerken bewaren sporen van gaten
weefsel veroorzaakt door inkt vrij te maken
verpulverde onzichtbare letters
schimmelen prachtig fluweelzwart
EXISTEER
DE TIJDE-
LIJKHEID
F I N A A L
UIT HET
MOMENT
er staat ineens een deur open wij kijken er door elkaar naarheen
van grond los is de tijd uiteengevallen in weerbarstige stukjes plastic
de ruimte leeg en donker spreek je in slowmotion kleurige lichtvlekken
bewegen zich traag over je gezicht ik zit recht tegenover je
een zacht deinende helwitte vlam er knalt iets tussen ons heen en weer
als donder beukt ik ben wakker en niet bang jij bent er ook

we kijken omdat dat is wat er is te veel-te-weinig en zo onmis-
kenbaar zo genadeloos ongenaakbaar dat het in een behoefte vervult
waar je nog niet één enkel woord voor hebt waardoor je
meer dan ooit naar meer verlangt maar geen weemoed voelt
nooit meer weemoed voelt je hebt gezien wat heel is en wat zien dat
in de toekomst dit verleden ronddraait geel oranje blauw rood
paars misschien
je bent zo boom als de nacht
het onbedekte vel ribbelt en golft
is het donker en de sterren
de regenworm onder het gras
als de aarde nu nat werd zou je
weten dat jij het bent die oplicht
glibberen is een vak apart niet
weggelegd voor iedereen
het wacht op oranjerode handen
die onontbeerlijk vlammen
het roepen van een lever op een steen

een fluorescerend oranje skelet op een
oudroze chaise longue confronteert me
met mijn aversie jegens de verwachtingen
omtrent vrouwelijkheid en, alsof dat
nog niet genoeg is, mijn angst voor de dood
ze ondersteunt haar schedel met haar knokige
feloranje hand, draait haar geslachtloze pelvis
verleidelijk naar mij toe: ‘kunnen we elkaar nu dan eindelijk
recht aankijken,’ verzucht ze
alles verandert de hele tijd, ik kijk ernaar met nieuwe ogen, mijn ogen
zijn de hele tijd nieuw, nu, en nu, en nu, en nu, net en straks
ik weet niet waar ik ben, laat me mijn coördinaten opzoeken: daar!
nu inzoomen, verder, dieper, dichter, dit is waar ik was
zie je mijn atomen of zijn ze alweer getransformeerd tot iets nieuws
kijk naar mijn gloednieuwe atomen met jouw gloednieuwe ogen
ben ik een vlinder, een kopieerapparaat, ben ik een zandkorrel of ben ik,
misschien, iets wat je nooit eerder zag, een minuscule, fluweelzachte perzik,
zo groot als een speldenkop, een blad van een graslelie dat oneindig ver doorgaat,
kijk langs mijn witgroenwittelijnen de verte in, vergeet wie ik was door te zien
waar ik heen reik
DE TRANSFORMATIEVE KRACHT VAN ROTTING

niet weten waar je naartoe gaat, maakt verdwalen
onmogelijk, de chaos als bondgenoot, op een dag
vooral niet verrast zijn als je de zwaartekracht tart –
er wordt nog veel te weinig langs de dingen opgelopen

opgeven en doorgaan voelen na lang genoeg als een-
en-hetzelfde, keer op keer het ongemak verwelkomen net zolang
tot je rul bent, verlangt naar de schermloze stilte waar
de dingen beginnen te stromen, het wanstaltige geluk dom
naar je grijnst vervolgens 
de realiteit verkennen zonder de beperkingen van
vooraf vastgestelde overtuigingen, woorden
verzamelen voor het onbeschrevene / jezelf
van de troon van je domme mensenlogica stoten

ik verlang naar een taal nauwkeurig als wiskunde, maar
waarin ieder woord gelijkstaat aan de veelvormigheid van x
(de flanken van mijn lijf raken gehoornd als je me leest
het is niet duivels, het is een bevestiging)
ONBEKEND WAAR

Spreid jezelf over de dagen uit de tijd is leeg opdat je
vol mag zijn van geen idee onbestemd
verdriet blind vertrouwen extase Het onbekende onbekende

en hoe dat een beetje eng een beetje lekker
tussen je tanden knispert als een winderige dag op het strand
onrealistisch hoopvol in badpak

Ergens wil je je gewonnen geven maar wel pas als je zout
en gepolijst bent een zanderige oorschelp
tussen je heksenhaar vindt

Windscherm ongewenst zinloos bovendien je ziet caleidoscopisch veel
meer met zand in je ogen Genadeloze veelvormigheid te allen tijde op zoek
naar hart om Mandelbrotstijl uit te wonen De waarheid was

altijd al overal dat is niet waarom je kapot bent je
bent nog lang niet bereidwillig genoeg De waarheid beloont
geduld en milde wanhoop
zolang jij het tegenovergestelde bent van mij 
bestaan we geen van beiden, wij zijn een mens
met een huid van in de verte golvende Noordzee
er duikt een stern in ons, diept keer op keer zilver spartelend ongemak op
mijn schaamte heeft acht armen en neemt op dit moment de textuur
van een sidderaal aan, waag het eens om dichterbij te komen
(toe dan) als wij ons omdraaien klotsen we nogal, daarom
hebben we het omkijken afgeleerd, we lopen deze spiraal steeds
sneller af, gaan vooruit en terug, vooruit en terug,
vooruit, ik voel je heus nog wel, onder ons oppervlak
jij bent daar waar ik niet ben/was
onze zeezoute handen zijn plakkerig geworden
mijn negatief zat altijd al in mij, dat ik dit schrijf is het bewijs
het droste-effect is oorverdovend, de tijd kleed zich uit
een zeepaardje staart naar ons vanuit onze navel
jij voelt je zeeziek, ons haar ruikt naar helmgras
misschien hoeft niet alles aan land te komen
Draai rondjes op je plaats als een kat voor het slapen
Weet dat de perfecte aanvang altijd nog één keer draaien weg is
Vouw je hoofd open over de randen van de cosmos
Laat alles wat je voor waar houdt tussen je vingers door glippen
Kijk naar je lege handen met je immer uitdeiende brein
Gloednieuwe gedachten kronkelen zich een weg door de melkweg
Wees niet langer bang voor je donker, aanschouw het vol mededogen
Laat het komen en gaan als een bezorgdienst met steeds net niet
wat je wilde, die je hartelijk bedankt voor het gebrachte
Een royale fooi geeft
ik verlang naar een taal nauwkeurig als wiskunde, maar waarin
ieder woord gelijkstaat aan de veelvormigheid van x de realiteit
verkennen zonder beperkingen van vooraf vastgestelde overtuigingen
woorden verzamelen voor het onbeschrevene om mezelf van de troon
van mijn domme mensenlogica te stoten is de enige manier om een
glimp op te vangen van 🪸🦬 De Ultieme Samenhang 🌌🐌
ik wacht, en er is niemand die komt – als de aarde nu
nat werd zou ik weten dat ik het ben die oplicht – het is iets goeds,
Het geheel bezit het vermogen
Ik wil toebehoren aan iets piepkleins – een radslag
op de stoep, één geel blaadje dat perfect het licht vangt,
de pootafdrukken van een puppy op mijn beige broek,
iemand die me tegen de borst stoot uit bezorgdheid. De
verwondering, de vreugde, het ongemak, het ongenoegen,
ik wil het allemaal. Ik wacht en er is niemand die komt –
het is iets goeds, maar zo voelt het nu nog niet.
© 2023-2026 M. Zonnebeer | De teksten en foto's op deze site zijn origineel werk en mogen niet worden gekopieerd, verspreid of gebruikt zonder schriftelijke toestemming. Voor meer informatie mail m.zonnebeer@gmail.com.